VERNIEUWING
IN HET ISLAMITISCH DENKEN

TERUG     HOME

Noodzaak islamitische staat geen uitgemaakte zaak
Door Abdurrahman Wahid (uit het Engels vertaald door Muhammad Yahya)

Abdurrahman Wahid (Gus Dur) is een vooraanstaand lid van de 'gematigde', traditionele Indonesische moslimorganisatie Nahdlatul Ulama, met ruim 45.000 leden de grootste moslimorganisatie ter wereld. Daarnaast is hij voorzitter van de Partai Kebangkitan Bangsa (Nationale Opwekkingspartij), oprichter van het Wahid Instituut voor democratisering en religieus pluralisme en voorzitter van de Non Violence Peace Movement met zetel in Korea. Van 1999 tot 2001 was hij de eerste democratisch gekozen president van Indonesië.

Tijdens een recent gehouden internationale conferentie van islamitische geleerden uit 46 landen is stevig gediscussieerd over de noodzaak van een islamitische staat. Ik refereerde aan de realiteit van Indonesië, een seculiere staat waarin alle burgers gelijke rechten hebben. Weliswaar erkent de regering vijf religies, maar dit is vooral bedoeld om overheidssteun aan religieuze organisaties mogelijk te maken. De beperking tot vijf erkende religies wordt steeds vaker bekritiseerd omdat er meer religies en overtuigingen vertegenwoordigd zijn in Indonesië, bijvoorbeeld het confucianisme dat in Indonesië rond de vijf miljoen aanhangers kent. Het is te verwachten dat de Indonesische regering het confucianisme op termijn als zesde religie zal erkennen, waarmee overheidssteun mogelijk wordt.

Mijn opmerking maakte al snel reacties los bij enkele deelnemers aan de conferentie, waaronder Ayatollah Taskhiri van de Universiteit van Teheran (Iran) en dr. Wahbah Zuhaili uit Syrië. Zij benadrukten het belang van een islamitische staat met als doel het implementeren van de sjaria als nationaal rechtsstelsel. In antwoord op hun standpunt vermeldde ik dat de idee van een religieuze staat inderdaad een rol speelde bij de vorming van de Indonesische staat in de aanloop naar onafhankelijkheid. De mogelijkheid van een religieuze (islamitische) staat werd zelfs opgenomen in de constitutie van 1945, maar werd er onder druk van niet-islamitische groeperingen later weer uit verwijderd. Het bestaan van diverse islamitische politieke partijen die blijven streven naar de omvorming van Indonesië tot een islamitische staat laat zien dat dergelijke ideeën niet uit het denken van Indonesische moslims zijn verdwenen. Dit is iets dat we als realiteit moeten aanvaarden.

Islamitische bewegingen waar dan ook blijven zich met dit soort kwesties bezig houden. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er nooit een definitieve oplossing zal worden gevonden. Het is tevens een punt waarop de islam principieel verschilt van andere religies. Sommige moslims geloven dat zij, om goede moslims te zijn, moeten vasthouden aan het sjariarecht als Gods absolute woord dat door niemand veranderd mag worden. Aan de andere kant zijn er moslims die de sjaria beschouwen als een corpus van religieuze ideeën en principes die voortdurend aanpassing aan een veranderende wereld behoeven, met uitzondering van een paar basale uitgangspunten die niet veranderd kunnen worden. In andere woorden, een staat moet met juridische maatregelen kunnen reageren op nieuwe ontwikkelingen en moet dus flexibel met veranderingen kunnen omgaan.

Een voorbeeld is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op 10 december 1948 werd geratificeerd door de Verenigde Naties. In die verklaring is vastgelegd dat ieder te allen tijde de vrijheid heeft om van godsdienst te veranderen. Islamitische jurisprudentie (fiqh) stelt echter dat iemand die de islam verruilt voor een andere religie (apostasie) ter dood gebracht kan worden. In lijn met de VN-verklaring zou de fiqh op dit punt dus moeten worden aangepast. Daarom moet de staat 'neutraal' zijn. Een religieuze staat is niet neutraal. Hoewel er onder moslims conflicterende partijen en meningen bestaan, zal uiteindelijk een compromis bereikt moeten worden om dit verschil van opvatting te beëindigen. Van belang is, dat tegenover elkaar staande partijen elkaar blijven respecteren zolang ze aan hun eigen 'waarheid' blijven vasthouden.

Partijen die zich verbinden aan het instellen van een islamitische staat hebben op diverse manieren geprobeerd hun doel te bereiken. Het ene na het andere voorstel is gepresenteerd en becommentarieerd. Het meest recente is een concept met de naam wilayat-I-fiqh (bestuur door experts op het gebied van islamitische jurisprudentie) dat werd voorgesteld door de Iraanse leider Ayatollah Ruhallah Khomeini in de tweede helft van de 20e eeuw. Zijn concept is verwoord in de momenteel van kracht zijnde constitutie van de Iraanse Islamitische Republiek. De politieke macht van de regering is verdeeld over vier gebieden. Ten eerste de uitvoerende macht die ligt bij de president die direct door het volk gekozen wordt. Ten tweede de wetgevende macht die ligt bij het parlement dat ook door het volk wordt gekozen. Ten derde de rechterlijke macht, die in handen is van een Hooggerechtshof waarvan de leden worden aangewezen door de president met goedkeuring van het parlement.

Boven al deze machten staat een supermacht die iedere beslissing van zowel uitvoerende als wetgevende macht kan annuleren. Deze supermacht is de Khubrigan (Raad van religieuze leiders) die bestaat uit 80 voor het leven benoemde leden en die derhalve buiten het keuzebereik van het volk ligt. Hierom wordt het Iraanse politieke systeem door 'westerse' partijen als ondemocratisch verworpen. In de ogen van het westen is democratie onlosmakelijk verbonden met liberalisme. In een dergelijk politiek systeem wordt alles door de macht van het volk bepaald. Iedere afwijking van dit systeem wordt als ondemocratisch beschouwd. Hun slogan is " vox populi vox dei" (de stem van het volk is Gods stem).

******

Als politiek issue is de noodzaak van een islamitische staat geen uitgemaakte zaak. Het hangt af van het geloof van de moslims zelf. Als zij denken dat religieus recht iets permanents is dat van Allah (God) afkomstig is en dat niet door mensen veranderd mag worden, dan komen ze vanzelf uit bij het denkbeeld dat de religieuze wet de sjaria is die onveranderd door de staat moet worden opgelegd. Dientengevolge is de implementatie van een islamitische staat onvermijdelijk.

In tegenstelling daarmee staat de opvatting van degenen die sjaria beschouwen als een veranderlijk concept dat geen instrument in de handen van de staat is, maar wordt gevormd en uitgevoerd door de samenleving zelf. Zij geloven niet in de noodzaak van een religieuze staat. Moslims die deze visie aanhangen hebben in dit land (Indonesië - vert.) de overhand. De vertegenwoordigers van de eerste visie vormen een minderheid onder de moslims. De bestaande islamitische politieke partijen vertegenwoordigen beide opties, naast andere theologische verschillen.

Ons democratische systeem vereist dat we partijen die naar een islamitische staat streven accepteren en het volk de mogelijkheid geven om te kiezen tussen vertegenwoordigers die een van de twee bovengenoemde visies uitdragen.

Naar mijn mening is ons politieke streven gebaseerd op het tweede concept. Aanhangers van deze visie worden gevonden binnen de islamitische bewegingen Nahdlatul Ulama (NU) en Muhammadiya en worden gesteund door niet-islamitische nationalistische, etnische en andere bewegingen die een onzichtbare politieke coalitie vormen. 'Islamisering' vindt niet plaats in het politieke systeem maar in maatschappelijke bewustwording.

Daarom worden de termen "religieus nationalisme" of "nationalistische religie" in diverse groepen regelmatig naar voren gebracht. Het gebruik van deze termen is eigenlijk riskant en leidt tot het simplificeren van de politieke strijd die in feite veel complexer is. Zulke termen zijn echter onvermijdelijk omdat geschiktere termen nog moeten worden uitgevonden, wat natuurlijk makkelijker gezegd is dan gedaan.

Jakarta, 11 april 2004

Zie ook Gusdur.net en Wahid Institute 

 

2005 © Muhammad Yahya