VERNIEUWING
IN HET ISLAMITISCH DENKEN

TERUG     HOME

Religie en publieke ruimte
Tariq Ramadan

Er blijkt behoefte te bestaan aan een toelichting op het standpunt van het European Muslim Network met betrekking tot de opvatting dat de islam een vereniging in stand houdt met betrekking tot religieuze, sociale en politieke aspecten van het leven. Twee eerder door ons geformuleerde principes moeten hier in herinnering gebracht worden: (a) Er is een verschil tussen islamitische voorschriften met betrekking tot religieuze rituelen en richtlijnen voor de omgang met wereldse en maatschappelijke zaken. De eerste zijn zeer gedetailleerd en strikt terwijl de tweede, op enkele uitzonderingen na, algemeen zijn en meer een bepaalde richting aangeven dan dat ze een restrictieve structuur opleggen; (b) De methodologiën op deze twee gebieden zijn totaal tegengesteld aan elkaar: alleen de tekst is maatgevend voor beslissingen over wat is toegestaan met betrekking tot rituele handelingen, terwijl de ruimte voor logica en creativiteit op het maatschappelijk vlak bijzonder ruim is en alleen wordt beperkt door een gering aantal restricties in de schriftelijke bronnen.

Nu we een onderscheid hebben aangebracht in principes en methodologie kunnen we een stap verder gaan door op te merken dat, hoewel de islamitische boodschap op ritueel gebied een helder, vaststaand en in feite onveranderbaar raamwerk biedt, dat niet het geval is op het sociale en politieke vlak, waar voorschriften en bekendheid met de verboden de houding van individuen ten opzichte van deze twee gebieden bepalen. Zij moeten individueel en onafhankelijk beslissen wat die houding moet zijn, met gebruik van hun verstandelijke vermogens, hun individuele vrijheid en, meer in het algemeen, hun inlevingsvermogen. Er is in feite dus geen sprake van [ongewenste - vert.] vereniging van de beperkende autoriteit van religie en de burgerlijke vrijheid van het individu, tussen het domein van het dogma en dat van de rede, tussen het private en het publieke. In tegenstelling tot wat algemeen verondersteld wordt, bestaan er voor moslims geen onoverkomelijke bezwaren om diverse maatschappelijke gebieden van elkaar te onderscheiden, zelfs binnen hun bronnen, want dit onderscheid werd al in de achtste en negende eeuw door schriftgeleerden uitgewerkt in hun werken over de classificatie van systemen. In de geschiedenis van het christendom leidde het besef van dit onderscheid in (machts)systemen tot de noodzaak van het aanbrengen van een heldere scheiding tussen twee machtsfactoren [namelijk kerk en staat - vert.]. Deze structurering en het gebruik van de ruimte die hiervoor nodig is, is voor moslims heel herkenbaar omdat het dichtbij de manier staat waarop zij hun relatie tot God en hun wijze van handelen in de wereld beleven.

Wat echter lijkt te verschillen is het feit dat voor moslims de referentiebron dezelfde blijft, zelfs wanneer het hart en het verstand op verschillende manieren worden aangesproken. In het eerste geval wordt een beroep gedaan op iemands relatie met God, in het tweede geval wordt een richting aangeduid naar onafhankelijkheid en vrijheid in relatie tot onze medemensen. Het oorspronkelijke en natuurlijke principe van onderscheid heeft in de islam niet, zoals in het christendom, noodzakelijkerwijs tot een scheiding of zelfs een breuk hoeven leiden om de mens rationele autonomie te verlenen en de mogelijkheid om de ontwikkelingen in de samenleving het hoofd te bieden. Moslims blijven in hun schriftelijke bronnen dus principes vinden die hun sociale en politieke betrokkenheid inspireren, zonder ooit een definitief model, een tijdloze code of, meer in het algemeen, een dogma voor hun handelen op te leggen. In feite vormen deze principes de kern van een ethiek die zij bij hun onophoudelijke rationele activiteiten zoveel mogelijk moeten zien te respecteren. Wanneer we dit nader in overweging nemen, realiseren we ons dat deze benadering niet is aan moslims voorbehouden, want in feite worden ook veel christenen, joden, boeddhisten, agnosten en atheïsten in hun sociale en politieke werk geïnspireerd door hun religieuze, humanistische en ethische overtuigingen en proberen zij net als moslims op een samenhangende manier te handelen. Zij citeren hun bronnen misschien minder vaak - of minder direct - dan moslims, maar zij worden wellicht net zoveel door die bronnen geïnspireerd.

De moeilijkheden waarmee moslims in het westen in het maatschappelijk verkeer worden geconfronteerd, ontstaan meestal in het contact met mensen die "scheiding" en "botsing" of "wederzijdse afwijzing" door elkaar halen en die op de seculiere ruimte een militante ideologie projecteren die gericht is tegen iedere religieuze uiting. Er is echter een groot verschil tussen de normatieve constitutionele orde die in het Frans wordt aangeduid met "laicité" (secularisme) en de bijzonder tendentieuze en ideologisch georiënteerde uitleg daarvan die sommige radicale of extremistische lieden graag aan de samenleving willen opleggen. Om volledig "geïntegreerd" te zijn zouden mensen hun geloof op geen enkele wijze mogen uiten en zouden ze in religieus opzicht onzichtbaar moeten worden: iedere referentie die aan islam doet denken moet volledig uit de publieke arena verdwijnen, "islamitische" organisaties mogen niet islamitisch heten en in het bijzonder de uitoefening van iemands maatschappelijke verplichtingen mag nooit religieus geïnspireerd zijn. Degenen die deze extreme opvattingen huldigen, legitimeren dit met de angst voor het ontstaan van religieuze getto's, sektarisme en de mogelijkheid van heropleving van religieuze conflicten in het westen. Deze angsten zijn begrijpelijk, maar we hebben het recht om de door hen voorgestelde oplossingen ter discussie te stellen; westerse samenlevingen zijn dermate veranderd en zijn inmiddels zo pluriform van samenstelling geworden dat het uitwissen van alle loyaliteiten in naam van nationale eenheid een loze pretentie is geworden of op illusies is gestoeld. Bovendien wil het gevoel om - bijvoorbeeld - tot een geloofsgemeenschap te behoren niet noodzakelijkerwijs zeggen dat die mensen zich aan de maatschappij onttrekken of zich intellectueel of etnisch isoleren en kan dat zelfs - afhankelijk van hoe het wordt vormgegeven - in spirituele zin aan de gehele gemeenschap ten goede komen. We moeten ons leren verhouden tot de aanvallen van diegenen die twijfel aan de 'ware intenties' van moslims, die volgens hen schuilgaan achter een bedrieglijke dubbele boodschap, tot hun levensdoel hebben gemaakt.

Het tweede misverstand dat uit de weg moet worden geruimd staat hiermee in direct verband. Het komt zowel onder moslims als onder hun medeburgers voor en betreft het begrip van wat moslims bedoelen met de "geloofsgemeenschap" (oemma). Een debat over het principe van loyaliteit is noodzakelijk om diverse manieren om erbij te horen en de wijze waarop die zich tot elkaar verhouden van elkaar te onderscheiden. Bedenk dat het hart van gelovigen getekend wordt door de geloofsgemeenschap en haar collectieve dimensie van verbondenheid met spiritualiteit, gebruiken en solidariteit. Dit rechtvaardigt echter niet het innemen van emotionele, chauvinistische of blinde standpunten. Hogere ethische principes zouden het optreden van individuen moeten inspireren en zonodig ook aanleiding moeten geven tot het bekritiseren van medegelovigen wanneer die zich onwaarachtig, verraderlijk, onrechtvaardig of onderdrukkend gedragen. Spirituele binding betekent overgave aan een geheel van principes en aan een morele code, niet aan een gemeenschap die gebaseerd is op bloedbanden of eigenbelang. Politiek bedrijft men niet in naam van "mijn volk", maar - voor het oog van God en het geweten - in naam van onvervreemdbare principes. Dit resulteert in een geloofsgemeenschap die zich tegen iedere vorm van sektarisme keert.

Er moet ook gewezen worden op een misverstand dat eigenlijk van sociologische aard is, maar dat vaak opduikt in discussies over islam en dat het debat over moslims in het westen verstoort. Dat debat draait vaak om een mengsel van vage veronderstellingen die te maken hebben met de problemen van immigratie, marginalisatie, geweld en drugs. In de eerste plaats staat het islamprobleem los van immigratie an sich en zijn veel moslims nu Amerikaanse en Europese staatsburgers. De islam is dus een westerse religie geworden in de volle betekenis van het woord. Indien deze maatschappelijke problemen veel moslims raken, heeft dit niet direct te maken met hun religieuze binding. Het is van groot belang om hier een helder onderscheid aan te brengen tussen de aard van de problemen, hun oorzaken en hun gevolgen om de simplistische vergelijking moslim-immigratie-geweld te vermijden. Wat ter discussie gesteld moet worden is het immigratiebeleid van westerse landen en hun sociaal en stedelijk beleid dat catastrofale gevolgen heeft, waarbij een negatief beeld van "de ander" wordt verspreid, en dat aanleiding geeft tot irriterende, discriminerende en onrechtvaardige beleidsmaatregelen. Dit zijn complexe problemen op vele elkaar overlappende terreinen, waar zo helder mogelijk mee om moet worden gegaan. We moeten aan hervorming werken, niet als "moslims", maar als burgers, natuurlijk geïnspireerd door onze boodschap en onze ethiek, maar vooral met bewustzijn van onze eigen verantwoordelijkheden en in de overtuiging dat het recht van ieder mens op een eerlijke en rechtvaardige behandeling (zoals de wet dit in het algemeen garandeert) moet worden gewaarborgd. Voor dit proces is een groeiend aantal partners nodig. Uiteindelijk zal hiermee het beste bewijs geleverd worden dat de karikaturen niet kloppen en dat moslimburgers vandaag de dag participeren in de strijd tegen sociale afbraak en geweld. Voor zover zij slachtoffers zijn lijden zij - zoals alle slachtoffers - onder de gevolgen van tekortschietend sociaal beleid dat minder flexibel en steeds restrictiever wordt naarmate men verzuimt de oorzaken van onrechtvaardigheid aan te pakken.

Uit het Engels vertaald door Muhammad Yahya
Bron: www.euromuslim.net 

 

2005 © Muhammad Yahya