Islamitisch
feminisme, een stand van zaken
Margot
Badran
In
mijn lezing (2002, Cairo), getiteld Islamic
Feminism: What's in a Name?, onderzocht
ik de paradigmaverschuiving binnen het feminisme
in het proces van definiëring van islamitisch
feminisme door moslimwaarnemers in de
islamitische oemma
(gemeenschap) op verschillende locaties
gedurende de jaren ’90 van de vorige eeuw (Al-Ahram Weekly, 17-23 januari 2002). Nu, vier jaar later, kijk ik
naar de huidige situatie van het islamitisch
feminisme.
Op
basis van het werk en de studies van
islamitische voorstanders definieerde ik in 2002
islamitisch feminisme beknopt als een
feministisch vertoog en fenomeen dat wordt geïnspireerd
en gerechtvaardigd door de koran en dat zoekt
naar rechten en rechtvaardigheid binnen het
kader van gender-gelijkheid voor vrouwen en
mannen in de totaliteit van het bestaan.
Islamitisch feminisme benadrukt het
idee van gender-gelijkheid als inherent
aan het koranische concept van gelijkheid van
alle insaan
(menselijke wezens) en roept op tot het
realiseren van gender-gelijkheid in wetgeving,
in burgerlijke instituties en in het dagelijks
leven. Het wijst een scheiding tussen een
publieke en een privé-sfeer van de hand
(overigens, onbekend in de vroege islamitische
jurisprudentie of fiqh)
en stelt daar een holistische oemma
tegenover die zich in alles laat leiden door
koranische idealen.
Islamitisch
feminisme wil terug naar het - ook toen al
revolutionaire - concept van gender-gelijkheid
dat de koranische openbaring in de patriarchale
Arabische samenlevingen van de zevende eeuw
introduceerde. Gelijkheid van alle insaan,
waarvan gender-gelijkheid niet los kan worden
gezien, werd niet met open armen ontvangen in de
patriarchale culturen waarin de islam in eerste
instantie werd geïntroduceerd en verspreid.
Patriarchaal denken, instituties en gedrag
bleken in grote mate resistent tegen de
revolutionaire boodschap van gender-gelijkheid
van de koran, zozeer zelfs dat de islam als
vanzelfsprekend als patriarchaal wordt
getypeerd.
Islamitisch
feminisme heeft zich de tweeledige taak gesteld
om patriarchale ideeën en gebruiken die het
etiket islamitisch hebben gekregen (en inmiddels
onder die noemer 'ingeburgerd' zijn) te
ontmaskeren en uit te roeien, en het
islamitische begrip van gender-gelijkheid
(onlosmakelijk verbonden met de gelijkheid van
alle mensen) weer op de voorgrond te plaatsen.
Hiermee heeft het islamitisch feminisme vijanden
gemaakt binnen en buiten de moslimgemeenschap:
(a) onder moslims: mannen die vrezen voor het
verlies van hun patriarchale privileges en
vrouwen die vrezen voor het wegvallen van
mannelijke bescherming, en (b) van buiten:
diegenen die plezier beleven en politiek
bedrijven in de vorm van het denigreren van de
islam als inherent vrouwvijandig.
Het
nieuwe islamitisch feministische paradigma begon
zich ongeveer vijftien jaar geleden gelijktijdig
te manifesteren in traditionele
moslimsamenlevingen in delen van Afrika en Azië
en in de nieuwere gemeenschappen in Europa en
Noord-Amerika. Ik geef hiervan drie voorbeelden.
Direct
na het tijdperk-Khomeini begonnen moslimvrouwen
in Iran, verbonden aan de toen nieuwe krant Zanan
met steun van enkele mannelijke geestelijken, in
de naam van de islam als moslims en burgers van
een islamitische republiek aan te dringen op de
naleving van vrouwenrechten, waarvan zij vonden
dat die geschonden of ingeperkt werden. Zij
onderbouwden hun argumenten met hun uitleg van
de koran als de feitelijke grondwet van de
republiek.
In
Zuid-Afrika hebben moslimvrouwen en -mannen zich
na hun inspanningen in een van de felste
gevechten voor menselijke waardigheid en
gerechtigheid, onmiddellijk na hun overwinning
op het apartheidssysteem, gericht op
vraagstukken van rechtvaardigheid - en met name
gender-rechtvaardigheid - binnen hun eigen
moslimgemeenschap. Gezien hun ervaring van
genegeerd te worden en uitgesloten te zijn,
waren deze Zuid-Afrikaanse moslims gevoelig voor
zaken als uitsluiting, onrechtvaardigheid en
vernedering als gevolg van selectieve deelname
en gesanctioneerde discriminatie van bepaalde
groepen (op basis van fysieke kenmerken) door
‘uitverkoren anderen’. Deze bewuste
Zuid-Afrikaanse moslims streden voor gelijke
toegang tot de moskee / de openbare ruimte voor
alle moslims, zonder onderscheid tussen mannen
en vrouwen.
In
Noord-Amerika wendden immigrantenvrouwen (met
name van de tweede generatie) en bekeerlingen
zich tot de koran als richtlijn voor hun
handelen in nieuwe, complexe situaties waarvoor
zij als moslims geen pasklare modellen bij de
hand hadden. Pogingen om patriarchale
levenspatronen uit de dorpen en steden waaruit
de eerste generatie moslimimmigranten afkomstig
was, opnieuw als islamitisch aan de vrouwen op
te leggen botsten met de nieuwe omgeving.
Bekeerde vrouwen uit westerse samenlevingen
werden op pijnlijke wijze geconfronteerd met
tegenstellingen tussen wat zij uit de koran
dachten af te leiden als idealen van
rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid, en
diverse patriarchale begrippen en gebruiken die
hun werden opgelegd door zelfbenoemde
vertegenwoordigers van de islam.
Islamitisch
feminisme is een inter-islamitisch fenomeen dat
wordt ontwikkeld door moslims in verschillende
delen van de wereld. Er bestaat geen scheidslijn
tussen Oost en West. We kunnen niet spreken van
islamitisch feminisme en het Westen. Islamitisch
feminisme is, net als de islam, een fenomeen dat
zich zowel in het Westen als in het Oosten
afspeelt. Islamitische tegenstanders beweren dat
feminisme (eerst het seculiere feminisme, nu het
islamitisch feminisme) door ‘het Westen’ aan
de moslims is opgedrongen om de islam en de
samenleving een slag toe te brengen.
Voorstanders daarentegen zijn van mening dat
islamitisch feminisme sociale rechtvaardigheid
binnen de oemma
bevordert en tevens bijdraagt aan de vorming
van een pluralistischer en sociaal
rechtvaardiger Westen waar alle mensen gelijk
behandeld zullen worden, ongeacht etniciteit,
religie en geslacht. De overwinning van het
islamitisch feminisme zal eveneens bijdragen aan
het versterken van sociale rechtvaardigheid en
gelijkheid in de Afrikaanse en Aziatische
samenlevingen waar moslims deel van uitmaken.
Kijken
we naar de oudere moslimsamenlevingen in Afrika
en Azië, dan zien we dat islamitisch feminisme
het eerst opkwam in landen waar (patriarchaal)
islamisme het langst geworteld was, landen met
een grote en groeiende geletterde en
professionele vrouwelijke middenklasse, en
landen met een eigen traditie van feministisch
denken en activisme. Een belangrijke
voedingsbodem voor islamitisch feminisme vormden
de eerdere seculiere feministische bewegingen
van moslimvrouwen die een amalgaam waren van
islamitisch-modernistische,
seculier-nationalistische en humanitaire (later
mensenrechten-) vertogen. Islamitisch feminisme
haakte aan bij seculier feministische begrippen
binnen de modernistische islam en ontwikkelde,
door de koran aan nieuw hermeneutisch onderzoek
te onderwerpen, een islamitische doctrine van
volledige gelijkheid van vrouwen en mannen in
zowel het publieke als het private domein.
Daarin was het radicaler dan de seculiere
feministische bewegingen die de notie van
gender-complementariteit binnen de familiesfeer
- in plaats van gender-gelijkheid - hadden
geaccepteerd.
Het
is van belang om zich te realiseren dat
islamitisch feminisme een product is van vrouwen
en mannen voor wie religie belangrijk is in hun
dagelijks leven en die zich storen aan de
ongelijkheid en onrechtvaardigheid die worden
gelegitimeerd op basis van religie. Islamitisch
feminisme blijft zich verspreiden, omdat het
relevant is. Het is betrokken en verlichtend.
Het is tegelijkertijd controversieel en
prikkelend.
Islamitisch
feminisme verspreidt zich wereldwijd met grote
snelheid en diepgang. Waar het vroege seculier
feministische denken zich verspreidde met de
opkomst van gedrukte media en journalistiek in
moslimsamenlevingen, verspreidt islamitisch
feminisme zich vele malen sneller en over grote
afstanden via het internet en de
satelliettelevisie. Het is levendig aanwezig in
cyberspace, weerklinkend in wat Fatima Mernissi
treffend noemt het 'digitale islamitische
universum'.
De
theoretische kern van islamitisch feminisme
blijft gebaseerd op de uitleg van de koran of tafsier.
Centraal staat steeds de interpretatie van
gender-gelijkheid in de islam. Er zijn steeds
meer voorbeelden van de praktische toepassing
van islamitisch-feministische theorieën,
bijvoorbeeld de herziening van de Marokkaanse Moedawwana of familiewet, momenteel de meest gender-gelijke op de
sharia gebaseerde burgerlijke wetgeving. Dit is
ook zichtbaar in het nieuwe concept voor een
herziene familiewet in Indonesië, opgesteld
door een commissie van religieuze geleerden
(waarvan de helft vrouwen) die is benoemd door
het ministerie van justitie. Een ander voorbeeld
van de toepassing van een gender-rechtvaardige
interpretatie van de islam is te vinden in de
debatten die, via een dynamische bevraging van
de fiqh (jurisprudentie),
leidden tot de vrijspraak van twee Nigeriaanse
vrouwen die op beschuldiging van overspel ter
dood waren veroordeeld op basis van de nieuwe hoedoed-wetten
(strafrecht) die zijn ingevoerd in de
noordelijke Nigeriaanse staten, terwijl hun
partners in het overspel nooit ter
verantwoording zijn geroepen.
De
termen islamitisch feminisme en islamitisch
feministen zijn tegenwoordig breed geaccepteerd.
Islamitisch feminisme is ook deel van de
filosofie en de strategie van de beweging voor
een progressieve islam. De term progressieve
islam dook voor het eerst op in Zuid-Afrika in
de jaren negentig van de vorige eeuw. Twee jaar
geleden werd in de Verenigde Staten de
Progressive Muslim Union opgericht en recent
werd de groep Progressive British Muslims
gevormd in het Britse parlement. Islamitisch
feminisme en progressieve islam zijn beide
nationaal en grensoverschrijdend georganiseerd.
De eerste internationale conferentie over
islamitisch feminisme die in de herfst van 2005
in Barcelona werd gehouden, trok deelnemers uit
zowel oude als nieuwe moslimgemeenschappen.
Moslimvrouwen
hebben, doordat ze deelnemen aan het proces van idjtihaad
(onafhankelijk onderzoek van religieuze
bronnen), niet meer uitsluitend passieve kennis
van religie, maar worden op dat gebied nieuwe
autoriteiten. Uit mijn historisch onderzoek naar
het vroege (seculiere) feminisme van
moslimvrouwen werd duidelijk dat de islam een
belangrijke rol speelde in hun denken over
gender en activisme. Gedurende de eerste
tientallen jaren van het seculiere feminisme
(eind negentiende, begin twintigste eeuw) - ik
neem Egypte als voorbeeld - maakten sommige
vrouwen zich vanuit de hen opgelegde
seksesegregatie de voor hun leven als
vrouwelijke moslims relevante ideeën van het
islamitisch modernisme eigen, die werden
geformuleerd door Sjeik Muhammad Abduh (de
bekende laat-negentiende eeuwse, vroeg
twintigste eeuwse Egyptische hervormer). De
beperkte mate van scholing van vrouwen in die
tijd verhinderde hen echter om zelf de koran te
gaan bestuderen (waarbij Nazira Zain al-Din de
uitzondering is die de regel bevestigt).
Sinds
de laatste jaren van de twintigste eeuw begonnen
vrouwen deel uit te maken van de nieuwe
interpretatiekringen door fascinerende tafsier
(analyses) en beschouwingen over
gender-vraagstukken te schrijven. Terwijl nieuwe
vrouwelijke exegeten aanzienlijk respect hebben
afgedwongen binnen de wereldwijde oemma,
zijn ze ook, weinig verrassend, in diskrediet
gebracht en belasterd. Als de boodschappers en
hun autoriteit echter worden aangevallen, wordt
de nieuwe gender-gevoelige exegese zelf opgevat
als autoriteit. Intussen wordt het steeds
duidelijker dat het moeilijk is om de
islamitische noties van gelijkheid en
rechtvaardigheid in overeenstemming te brengen
met de (seculiere) patriarchale opvattingen die
nog steeds worden gehuldigd door conventionele
mannelijke religieuze autoriteiten. Enkele
nieuwe islamitische feministische theoretici en
uitleggers zijn Asma Barlas en Riffat Hassan
(beide van Pakistaanse afkomst), Amina Wadud
(Afro-Amerikaanse), Ziba Mir-Hosseini en
Qudsiyya Mirza (Iran) en Aziza al-Hibri
(Libanon).
Moslimvrouwen
ontgroeien de behoefte aan mannelijke
bescherming en de plicht tot dienstbaarheid.
Islamitisch-feministische tafsier
geeft een boeiende uitleg van de gelijkheid
van alle menselijke wezens, zowel man als vrouw,
terwijl terzelfder tijd gender-verschillen
worden erkend. (Er is een man-vrouw dualiteit in
al het geschapene, weerspiegeld in de
grammaticale constructie van de taal van de
koran met betrekking tot de menselijke soort en
de dieren, die worden aangesproken in duale
vorm: insaan
en hayawaan.
[Het Arabisch kent enkelvoud, tweevoud en
meervoud, noot vert.]) Erkenning van biologische
dualiteit doet op geen enkele wijze afbreuk aan
het idee van fundamentele gelijkheid van alle
menselijke wezens. Geen van beide seksen is
superieur aan de ander. Geen van de seksen heeft
de opdracht om over de ander te heersen.
Patriarchaat, als ideologie en praktijk, met
zijn stringente hiërarchische ordening, is op
fundamentele wijze in tegenspraak met het
koranische ideaal en de koranische praktijk van
menselijke gelijkwaardigheid.
In
hun pleidooien voor menselijke gelijkwaardigheid
richten islamitische feministen zich op de
koranische begrippen chilafa
(plaatsvervanger) en tawhied
(eenheid). De koran spreekt van chilafa,
of vertegenwoordiging van God op aarde,
gedelegeerd aan alle menselijke wezens, een door
God aan de mensheid opgedragen ambt. Deze
vertegenwoordiging of opdracht kan op logische
of morele gronden niet worden verminderd of
ongelijk worden verdeeld vanwege biologische
kenmerken van de mens, zij het seksueel, raciaal
of wat voor ander kenmerk dan ook.
Islamitisch-feministische
exegeten verbinden het idee van
gelijkwaardigheid van alle leden van de
menselijke soort in zijn (biologische) dualiteit
met het begrip tawhied,
de uniciteit van God. Geen enkel menselijk
schepsel kan deelhebben aan deze eenheid. Geen
enkel menselijk wezen kan of mag handelen als
een God of zich toe-eigenen wat uitsluitend aan
God behoort. Ta'a, gehoorzaamd worden, is een recht dat alleen God toekomt.
Binnen het patriarchale wereldbeeld zijn vrouwen
verantwoording verschuldigd aan mannen en
jongere mannen aan oudere mannen. Deze
gehoorzaamheid is vaak zo sterk en dwingend
doorgevoerd dat mannen zichzelf praktisch als
goden beschouwen.
De
nieuwe gender-gevoelige exegeten hebben zich in
het bijzonder gericht tegen de mannelijke
dominantie binnen het huwelijk en het gezin in
naam van de islam, die het koranische
gelijkheidsprincipe op fundamentele wijze
onderuit haalt. De zinsnede ‘qawwamoena 'ala’ in vers 4:34 van de koran wordt telkens
aangehaald als rechtvaardiging en onderstreping
van de stelling dat mannelijke autoriteit over
en bescherming van vrouwen een voorrecht en
plicht van mannen is. De nieuwe vrouwelijke
exegeten komen met een herlezing die recht doet
aan het koranische ideaal van menselijke
gelijkheid. Zij plaatsen de uitspraak dat mannen
‘qawwamoena
'ala’ vrouwen zijn in de context van
zwangerschap en verzorging van kinderen, waarbij
vrouwen werk verrichten in vergelijking tot
mannen. Zij
interpreteren de ‘extra’
verantwoordelijkheid van mannen ten opzichte van
vrouwen als een compensatie voor de vrouwelijke
inspanning gedurende zwangerschap en bevalling.
In de patriarchale traditie betekent dit vers
dat mannen verantwoordelijk zijn voor vrouwen en
autoriteit over hen hebben en dat zij een
‘trap hoger’ dan vrouwen staan. De
patriarchale uitleg was lange tijd zo
vastomlijnd en alomtegenwoordig dat deze gezien
wordt als ‘de islam zelf’.
Deze
lezing heeft het concept van mannelijke
bescherming van vrouwen - de fundamentele taak
van de echtgenoot om zijn vrouw materieel te
verzorgen en zich spiritueel en moreel over haar
te ontfermen - op de voorgrond geplaatst en
gefixeerd. Veel vrouwen waarderen deze
mannelijke bescherming en materiële verzorging
als een wezenlijk en onvervreemdbaar element van
de islam. Maar deze bescherming en materiële
ondersteuning brachten overdreven vormen van
gehoorzaamheid aan mannen met zich mee, tot de
breed gedragen opvatting aan toe dat de weg naar
de hemel voor een vrouw loopt via gehoorzaamheid
aan haar man, waardoor haar gehoorzaamheid aan
God als het ware wordt omgeleid en zij tot
tweederangs chilafa
wordt.
Tegelijkertijd
met de deconstructie van het concept van
vrouwelijke afhankelijkheid en mannelijke
bescherming werken islamitische feministen het
idee van wederzijds onderhoud / bescherming van
mannen en vrouwen uit, zoals dat ligt besloten
in het concept van awliya dat is opgedragen aan mannelijke en vrouwelijke gelovigen
doordat de koran de twee seksen expliciet noemt:
‘De gelovigen, mannen en vrouwen, zijn
beschermers van elkaar.’ (vers 9:71) Waarom is
dit idee nooit tot maatstaf voor gender-relaties
gemaakt?
Islamitisch-feministische
exegeten werken op het snijvlak van idee en
realiteit. Koran-exegeten met een begrip voor de
gender-problematiek zijn zich bewust van
veranderende sociale en economische
omstandigheden, wanneer zij een leidraad zoeken
in de heilige tekst. In de hedendaagse snel
groeiende middenklassen in moslimgemeenschappen
zien beide echtgenoten zich in toenemende mate
gedwongen om zich gezamenlijk in te zetten voor
het gezinsinkomen en voor het reilen en zeilen
van het gezin. Sociale en religieus bepaalde
rolmodellen worden door praktische vereisten
naar de achtergrond gedrongen. Het koranische
concept van wederzijdse afhankelijkheid van
beide huwelijkspartners wint aan invloed in de
middenlagen van de samenleving, zoals altijd al
het geval was bij de armen in de stad en op het
platteland, die historisch gezien de meerderheid
vormden van de moslims. Het koranische concept
van gender-gelijkheid, uitgedrukt in de notie
van wederzijdse bescherming van de echtgenoten,
heeft recentelijk zijn juridisch beslag gekregen
in het idee van een gedeeld
‘gezinshoofdschap’ dat is vastgelegd in de
herziene Marokkaanse Moedawwana
en het Indonesische voorstel voor een nieuwe
familiewet, die beide zijn gebaseerd op de
Sharia.
Moslimvrouwen
en -mannen werken samen aan vernieuwing van het
rituele leven. De laatste tijd manifesteren zich
nieuwe rituele gebruiken, het meest prominent in
moslim-minderheidsgemeenschappen, in het
bijzonder, maar niet uitsluitend, in het Westen.
In moslim-minderheidsgemeenschappen heeft
deelname aan activiteiten in de moskee - in het
bijzonder het gezamenlijke gebed - een
intensiteit en sociale betekenis die afwijkt van
wat in islamitische samenlevingen gebruikelijk
is. Wanneer moslims een minderheid vormen, komt
de islamitische identiteit - zowel individueel
als collectief - met name tot uiting en
bevestiging binnen de moskee. Ongelijke
behandeling van moslims in hun mogelijkheden tot
religieuze expressie maakt hen tot tweedeklas
moslims. In islamitische samenlevingen
manifesteert de islamitische identiteit zich in
de samenleving als geheel. Maar zelfs als
vrouwen deel uitmaken van de religieuze
meerderheid, hebben zij in de seculiere ruimte
een grotere gelijkheid verkregen dan op
religieus terrein. Moslimvrouwen zijn gelijk in
de grotere nationale / seculiere gemeenschap,
maar ongelijk in hun gemeenschap.
Terug
naar de islamitisch-feministische context van
Zuid-Afrika: in het midden van de jaren negentig
van de vorige eeuw, hield een vrouw, de theologe
Amina Wadud, in de moskee in Claremont in
Kaapstad voor het eerst in de geschiedenis een
inleiding voorafgaande aan de preek van het
rituele vrijdagsgebed. De Zuid-Afrikaanse
'moskeebeweging' werd een katalysator voor de
feministische eisen voor gender-gelijkheid, die
door de Zuid-Afrikaanse imam Rashied Omar werd
benoemd als een ‘gender
jihad’. Nu, een decennium na de start van
het moskee-activisme in Zuid-Afrika, zijn in de
Verenigde Staten en Canada vergelijkbare
bewegingen in opkomst van vrouwen en mannen die
toegang eisen voor vrouwen tot de centrale
moskeeruimte tijdens de gezamenlijke gebeden.
Ook zijn er nu vrouwen die de rol van imam voor
gemengde gebedsbijeenkomsten op zich nemen.
In
2005 zijn vrouwen in de Verenigde Staten als
imam opgetreden bij vrijdagsgebeden (de eerste
keer in een kerk in New York, omdat moskeeën
hun medewerking weigerden) en in een moskee in
Canada. De eisen van vrouwen voor gelijke
toegang tot de moskee en de mogelijkheid om de
gezamenlijke gebeden te leiden riepen bij een
Amerikaanse mannelijke bekeerling beelden op van
de sit-ins
van Afro-Amerikanen in het midden van de
twintigste eeuw in de VS om toegang tot publieke
instituties en de openbare ruimte te eisen, een
recht dat hen ontzegd werd op basis van ras. Dit
herinnert mij weer aan de eisen in
post-apartheid Zuid-Afrika voor opheffing van
discriminatie van moslimvrouwen in de moskee.
De
'moskeebeweging' verspreidt zich en lijkt niet
te stoppen. De allereerste internationale
conferentie over islamitisch feminisme, in
oktober 2005 georganiseerd door de Junta
Islamica Catalana in Barcelona, bevestigde de
eis voor vrije toegang tot de moskee als een
recht van moslimvrouwen. Merk op dat in Egypte
94 jaar geleden door seculier-nationalistische
feministen op het Muslim National Congress in
Heliopolis (1911) toegang tot de moskee geëist
werd voor het bijwonen van het rituele gebed.
Dat was in een periode dat vrouwen van de
midden- en hogere klassen nog uit het openbare
leven waren verbannen; hun toegang tot de
religieuze ruimte was een stap op weg naar
deelname aan het publieke leven.
Het
is hier niet mogelijk om dieper in te gaan op de
huidige stand van de ontwikkelingen in het
islamitisch feminisme. Zoals uit de presentatie
blijkt, maken de verdere uitwerking van tafsier / theorie en de uitbreiding van activistische projecten deel
uit van de dynamiek van het hedendaagse
islamitisch feminisme. Er bestaan
tegenstrijdigheden waar feministische theoretici
en exegeten zich nog over moeten buigen, maar
zij houden altijd de hoogste koranische idealen
in het oog. Er zijn praktische hindernissen (het
in diskrediet brengen van de term islamitisch
feminisme) waar eigenlijk geen kruid tegen
gewassen is. Maar de praktijk leert dat vrouwen
als islamitisch feministen volharden in het
uitwerken en in de praktijk brengen van een
gender-egalitaire islam die voor hen deel
uitmaakt van de kern van de religie - een notie
die momenteel nog even revolutionair is als in
de tijd van de openbaring.
Vertaald
uit het Engels door Hendrik Jan Bakker
Dit artikel verschijnt gelijktijdig in het oktobernummer van het Tijdschrift voor Humanistiek.
Prof.
dr. Margot Badran is historica, gespecialiseerd
in het Midden-Oosten en islamitische
samenlevingen en in gender-studies. Ze is als
senior onderzoeker verbonden aan het Prince
Alwaleed Bin Talal Center for Muslim Christian
Understanding van de Georgetown Universiteit in
Washington DC in de VS. Ze heeft een diploma in
Arabische en religieuze studies van de Al Azhar
Universiteit in Cairo en een M.A. in Studies van
het Midden-Oosten van de Harvard Universiteit.
Ze promoveerde op de geschiedenis van het
Midden-Oosten aan de Universiteit van Oxford.
Naast boeken over feminisme, gender en de islam,
publiceert ze met regelmaat artikelen over
feminisme en gender in het Egyptische weekblad Al
Ahram. Dit
artikel is gebaseerd op een lezing voor het
Nederlands-Vlaams Instituut in Cairo. Zie: Al-Ahram
Weekly Online,
nr 781, 9-15 februari 2006.
E-mail: m.badran@isim.nl