Moslimvrouw hoeft geen omweg te nemen
Trouw, 25/11/2004

Ayaan Hirsi Ali laat zich inspireren door feministen die het westerse liberalisme tot norm verklaren. Hierin is geen plaats voor religie. Maar ook vanuit de islam is feminisme mogelijk.

Islamitisch feminisme
Karen Vintges

Bij de huidige polarisatie in Nederland speelt de positie van de islamitische vrouw een belangrijke rol. In deze kwestie heeft de politica Ayaan Hirsi Ali een uiterst consequente houding ingenomen, zoals die ook tot uiting kwam in de film 'Submission I'.

Het is een houding die ook bij veel Amerikaanse feministen valt aan te treffen en die berust op de idee dat het feminisme in wezen een liberalisme is en zich niet verzoenen laat met religie als zodanig.

Maar in de discussie tussen multiculturalisten en feministen zijn ook andere posities ingenomen, bijvoorbeeld door islamitische feministes zoals Leila Ahmed, die menen dat islam en feminisme elkaar niet uitsluiten maar heel wel samen kunnen gaan. Deze laatste benadering biedt een alternatief voor het gepolariseerde klimaat rond het denken over vrouwenonderdrukking, waar ook het feminisme in Nederland al een tijd onder lijdt.

Het feminisme is de afgelopen twee decennia sterk bekritiseerd door vrouwen uit de Derde Wereld die het feminisme verweten dat het westerse waarden zoals autonomie, vrijheid en individualiteit op wil leggen aan vrouwen uit andere culturen. Westerse feministen namen deze kritieken ter harte en reageerden over het algemeen door zich jegens niet-westerse culturen terughoudend op te stellen, uit respect voor culturele diversiteit.

Als reactie op deze terughoudende opstelling publiceerde de Amerikaanse politieke filosofe Suzan Moller Okin in 1999 haar felle en invloedrijke essay met de titel: 'Is Multiculturalism Bad for Women?'. Daarin stelt zij dat een politiek van multiculturalisme en aandacht voor diversiteit schadelijk is voor vrouwen en dat het westers liberalisme, met zijn uitgangspunten van de rechten van het autonome individu, voor het feminisme de universele norm moet zijn. In Nederland heeft Ayaan Hirsi Ali, geïnspireerd door Okins pleidooi, dit standpunt ingenomen en zich ook politiek aan de zijde van het liberalisme geschaard.

Haar kritiek op de algemeen terughoudende opstelling waar het de positie van niet-westerse vrouwen betreft is terecht. Zij heeft gelijk dat er stelling moet worden genomen tegen vrouwenonderdrukking, ook in niet-westerse culturen. Maar haar verdediging daarvan in termen van een liberaal feminisme is contraproductief, omdat het liberalisme een verhaal is waar veel vrouwen zich niet in kunnen herkennen. Een bredere, multiculturele of liever cross-culturele basis voor een mondiaal feminisme is nodig.

Leila Ahmed in haar boek 'Women and Gender in Islam' geeft een aanzet daartoe door te benadrukken dat de Koran zich op dezelfde manier tot vrouwen als tot mannen richt, namelijk als spirituele en ethisch verantwoordelijke wezens, die in hun handelen eenzelfde niveau van voortreffelijkheid kunnen bereiken. Zij verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar hoofdstuk 33 vers 35 van de Koran, dat als volgt eindigt: "de mannen en de vrouwen die nederig zijn, de mannen en de vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en de vrouwen die vasten, de mannen en de vrouwen die hun kuisheid bewaren, de mannen en de vrouwen die Allah vaak gedenken - voor zulken heeft Allah vergiffenis en een grote beloning bereid."

De fundamentele tweeslachtigheid van de islam, aldus Ahmed, is erin gelegen dat deze expliciete aanspreking van vrouwen gepaard gaat met islamitische wetten die de zelfrealisering van vrouwen belemmeren. In de geschiedenis van de islam zijn er echter van meet af aan vrouwen geweest die zich wél als zodanig hebben ontplooid, zoals bijvoorbeeld de mystica Rabia van Basra, die in de achtste eeuw een leidende rol speelde bij het ontstaan van het oorspronkelijke soefisme. Rabia leidde daarbij een leven als vrouw in vrije en open uitwisseling met andere mannen en vrouwen, zonder onderworpen te zijn aan mannen, en veel vrouwelijke soefi's hebben haar voorbeeld gevolgd. Ook later in de geschiedenis van de islam treffen we tal van vrouwen aan die hun eigen leven vormgaven. Zo blijkt de geschiedenis veel diverser te zijn ten aanzien van de positie van de vrouw, en zo hoeft het feminisme dus niet de omweg te nemen van het liberalisme om te pleiten voor zelfontplooiing en zelfbeschikking van vrouwen, maar kan zij aansluiten bij geluiden en stromingen binnen de islam zelf.

Het feminisme valt niet samen met het seculiere liberalisme. Seculiere en islamitische feministen vechten in landen als Iran en Egypte zij aan zij voor de rechten van vrouwen, zonder elkaar te bestrijden. Het zou toch te gek zijn als dat in Nederland niet kan.

Karen Vintges is universitair docent politieke en sociale filosofie aan de Universiteit van Amsterdam.