Nazira Zain al-Din (Libanon/Syrië)

Een van de eerste moslimvrouwen die een kritische herinterpretatie van koranteksten over vrouwen gaf was de druzische (sji'itische) Nazira Zain al-Din, geboren in Libanon in 1905. Haar eerste boek (as-Sufur wa’l-hijab - Unveiling and Veiling*) was een aanklacht tegen patriarchale onderdrukking, waarvan ze van mening was dat die in strijd was met belangrijke islamitische principes. Ze zei: "de hijab is een belediging voor vrouwen" en vergeleek de gezichtsluier met de bivakmutsen die inbrekers en moordenaars dragen om niet herkend te worden. Toen het boek in 1928, kort nadat in Damascus het dragen van gezichtssluiers verplicht gesteld was, gepubliceerd werd, leidde dat tot demonstraties en werden de eigenaars van boekwinkels die het verkochten bedreigd. Dit gaf haar echter alleen maar meer inspiratie in haar verzet tegen vrouwonvriendelijke gebruiken die met de Qor'aan werden gelegitimeerd. Zain al-Din had veel vijanden onder de moslimgeleerden, maar ook enkele medestanders. 

Zo'n vijftig jaar later kwamen de bekende moslimgeleerden Muhammad al-Ghazali (Sunna between Fiqh and Hadith), Abdol Halim Abu Shiqa (Tahrir al-mara’a fi’asr al-risalah - De emancipaite van vrouwen in de tijd van de Profeet) en Muhammad Husayn Fadl Allah (Ta’amulat Islamiyya hawl al- mara’ - Islamitische bespiegelingen over vrouwen) tot vergelijkbare conclusies, hoewel ze Nazira Zain al-Din in hun publicaties niet noemden.

* in Margot Badran en Miriam Cooke: Opening the Gates: An Anthology of Arab Feminist Writing (pp. 270-276), Indiana University Press, 2004 (2nd edition), ISBN 0253217032

Met dank aan Melissa Hool (Australië/Zuid-Afrika)

Nazira Zain al-Din over de hijab:

Nazira Zain al-Din benadrukt dat moreel besef en een schoon geweten verre te preferen zijn boven de moraliteit van de hijab (met hijab wordt hier de gezichtsluier bedoeld). Goedheid kan niet worden voorgewend, maar komt uit het innerlijk van de mens. Voor Zain al-Din bewijst het verplicht stellen van de hijab dat mannen hun moeders, dochters, vrouwen en zusters beschouwen als potentiële verraadsters. Met andere woorden, dat mannen 'de vrouwen die het dichtst bij hen staan en die zij het meest lief hebben' wantrouwen. Hoe kan een samenleving een zo belangrijke en intieme taak als de opvoeding van kinderen aan vrouwen toevertrouwen wanneer ze hen wantrouwt vanwege hun gezicht en hun lichaam? Hoe kunnen moslimmannen tegelijkertijd ongesluierde plattelandsvrouwen en vrouwen uit Europa met respect tegemoet treden, maar datzelfde respect niet tonen voor ontwikkelde vrouwen uit hun eigen omgeving? Zain al-Din besluit dit deel van haar boek as-Sufur wa'l-hijab met de constatering dat de volledige bedekking voor vrouwen geen islamitische plicht is. Moslimwetgevers die die conclusie wel trekken, hebben het volgens haar bij het verkeerde eind. Wanneer de hijab wordt gebaseerd op de veronderstelling dat het intellect of de devotie bij vrouwen minder ontwikkeld is, moet dan worden geconcludeerd dat mannen per definitie perfecter zijn dan vrouwen? De mate van beschaving van een natie hangt af van de geestelijke kwaliteiten van de moeders. Hoe kan een moeder haar kinderen tot vrije individuen opvoeden als aan haarzelf het recht op persoonlijke vrijheid wordt onthouden? Zain al-Din concludeert dat een  samenleving die de hijab verplicht stelt een gevangene van haar eigen gewoonten en tradities wordt en zich niet meer islamitisch kan noemen.

Zain al-Din bestudeerde de exegese van ayah 31 van soera an-Noer (24) en aya 59 van soera al-Ahzab (33) door al-Khazin, al-Nafasi, Ibn Mas'ud, Ibn Abbas en al-Tabari en constateerde dat hun interpretaties vol contradicties zitten. Toch stemmen bijna alle exegeten overeen in de opvatting dat vrouwen hun gezichten en handen niet moeten bedekken en dat niemand van degenen die beweerden dat vrouwen hun gehele lichaam moeten bedekken - met inbegrip van hun gezicht - zijn mening kon onderbouwen met een religieuze tekst. Als vrouwen zich volledig zouden moeten bedekken, dan zouden de ayah's waarin mannen worden aangesproken overbodig zijn, bijv.: "Zeg tegen de gelovige mannen dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken" (24:30). Zij onderbouwt haar zienswijze door te verwijzen naar uitspraken van de Profeet (vzmh) als "Ik heb niets gezegd dat niet in overeenstemming is met Gods boek". God zegt: "O vrouwen van de Profeet, jullie zijn zoals geen van de andere vrouwen..." (33:32). Uit dit vers blijkt overduidelijk dat God niet wil dat gewone vrouwen zich met de vrouwen van de Profeet vergelijken en hen tot voorbeeld nemen, en deze ayah kan met geen mogelijkheid op andere manieren worden uitgelegd. Kortom, degenen die de vrouwen van de Profeet imiteren in het bedekken van hun gezicht handelen in strijd met Gods wil.

(fragmenten uit: Ibrahim B. Syed, Women in Islam: Hijab, eigen vertaling)

Internet: The Muted Voices of Women Interpreters